Er was eens een jongetje dat veel meer vragen stelde dan alle grote mensen doen. Het waren ook heel slimme vragen. Vragen waar je lang over moet nadenken, en die dan toch nog moeilijk zijn. Meestal weet ik er geen antwoord op, maar dit keer wel.
"Waar gaan de dingen naartoe die je wil zeggen en die je dan toch niet zegt ?".
Dat kon ik uitleggen, want ik weet iets wat weinig mensen weten : woorden zijn kleine vlindertjes. Als je iets wil zeggen, komt zo'n vlinder tevoorschijn op je tong, en dan vliegt 'ie recht naar het oor van de ander. Of recht naar het hart, soms. Het gaat allemaal heel erg snel, en weinig mensen hebben die woordenvlinders ooit gezien. Vaak kletsen we maar wat, en durven we elkaar niet in het wit van de ogen kijken - laat staan in de mond.
Nu en dan verdwaalt zo'n vlinder. Dan is 'ie de weg kwijt, en de kluts, en het noorden. En komt 'ie niet terecht waar 'ie moet zijn. Dan wou je iets zeggen, maar ging het niet. Of je zou nog net... maar je deed het niet. Dat is jammer, want vaak zijn dat hele mooie woorden. En vaak heb je er later spijt van, dat ze niet uitgesproken zijn.
"Maar waar zijn ze dan naartoe?", vraagt de jongen, "zijn ze voor altijd verloren ? "
Neen, gelukkig niet. Ze zijn wel weg, maar helemaal verloren zijn ze niet. Zo'n verdwaald vlinderwoord vliegt steeds hoger, naar waar de lucht blauwer is dan blauw. Daar wordt het licht al een beetje zilverachtig, en zijn de wolken zacht en mals als dikke donzen kussens. Daar vind je al die verloren vlinders. "Het spijt me", en "ik zie je graag", die zie je daar heel vaak. "Zijn we weer vrienden ?" en "Zal ik je troosten ?", ook. Allemaal dartelen ze door elkaar, zodat niemand nog weet van wie ze komen en voor wie ze ooit waren bestemd. Ook de oude man, die daar woont, weet het niet.
Hij ziet er wat stoffig uit in z'n sjaaltje met ruitjes, z'n blauwe overjas, z'n afgetrapte sloffen. Zelfs bovenop de wolken val je daarmee wat uit de toon. Maar iedereen kent 'm daar als een lieve en trouwe vent. Hij is de concierge van wolkenblok 17/bis, en hij houdt een oogje in het zeil bij lekkende regenbuitjes of een onweer waarop sleet begint te komen. Uiteindelijk kwamen alle verdwaalde vlinders bij hem terecht, omdat zijn wolk zo mooi gewit was en er zo gastvrij uitzag.
Eerst wist 'ie niet goed wat 'ie met al die vlinders aan moest. Maar ze bleven komen, en waren zo mooi en zo divers, dat hij ze uiteindelijk is gaan verzamelen en bewaren. "Ze zijn toch veel te mooi om verloren te gaan ? En wie weet, misschien komen ze ooit nog eens terecht..", zo dacht hij. Hij kocht een enorm boek, van wel 2 op 3, duizenden bladzijden dik. Met fraai gebloemd velourpapier, en ritselende rijstpapieren tussenbladen. Het weegt een ton, en past ternauwernood op zijn tafeltje.
Elk van zijn avonden, en elke vrije zondag, zit 'ie voor z'n grote boek in het zachte maanlicht. Een knikkend lampje maakt een ronde gele vlek op het boek, en werpt lange grillige schaduwen als een vlinder voorlangs komt gevlogen.

Z'n bureaustoeltje piept klagerig als 'ie even verschuift. Rondom hem fladderen de woordenvlinders : met trosjes hangen ze aan de tafel en de lamp. En soms op z'n sjaaltje : dat kriebelt ! Eén voor één neemt 'ie ze - héél voorzichtig - vast, en met een eindeloos geduld en liefde legt 'ie de vlinderwoorden in het boek. Het is stil bovenop de wolken, en ook het mannetje zegt niet veel. Oud en wijs, schudt 'ie alleen van tijd tot tijd z'n hoofd.
En als 'ie tenslotte behoedzaam het grote boek sluit voor de nacht, lees je in zwierige letters op de kaft:
" In dit boek staan :
woorden gebroken, ongesproken.
Woorden vervlogen en weggespoeld.
Maar woorden uit een hart gekomen,
en voor een hart bedoelt.
En woorden te mooi, te mooi -
veel te mooi om verloren te gaan."
<< Home | 0 Commentaren | geef commentaar