Er was eens een lange rivier in een koninkrijk dat zo groot was dat de zon er nooit onderging. De zonnestralen schitterden in hetzelfde water dat stroomde van de bergen in het noorden tot de oceaan in het zuiden.
Als je die rivier afvoer, dan zag je uitgestrekte groene vlaktes, diepe donkere wouden en hoge bergen. Zo groot was het land dat alles wat mooi was er een plaatsje in gekregen had. Nog voor de mensen vanuit het water gekomen waren had alle leven zich langs de rivier genesteld. Er waren vreemde dieren die nu al lang uitgestorven zijn en enkel in verhalen verder leven. Eenhoorns, griffioenen, centauren, vuurspuwende draken en gevleugelde paarden laafden zich aan het water.

De rivier was een vruchtbare ader waarlangs steden bloeiden waarin de mensen alle schoonheid en rijkdom van het koninkrijk verhandelden. Bootjes met katoen, tarwe, specerijen en al wat waardevol was voeren door berg en dal. Zolang op het water een constante stroom van goederen kon varen was de koning tevreden. Want hij haalde al z'n macht en rijkdom volledig uit handel.
Hoog in het noorden, waar de bergen tegen de hemel op groeiden was er een klein dorpje. Het dorpje lag aan de rechteroever vlakbij het water op een plek waar de rivier volledig ingesloten was door steile rotswanden. De rivier was er ondiep en enkel een ervaren schipper kon veilig tussen de klippen navigeren.
Vaak was het er mistig. Als je dan bovenop de hoogste rotsen zat, kon je beneden een dik wollen deken over het water zien golven. Onder dat mistdeken leefde de bemanning van de schepen in angst. Er werd immers gefluisterd dat een vreemd mengwezen bij mist uit het water opsteeg om de schippers te misleiden. Half vis, half vrouw lokte het de boten naar ondiep water met haar wellustig lichaam en gouden lokken. Vele schepen waren zo reeds vergaan, want geen man kon ontkomen aan de dood eenmaal hij dat wezen aanschouwd had.
Dit wezen was natuurlijk een zeemeermin. Vroeger kwamen zeemeerminnen vaak voor, het waren schepsels met het bovenlichaam van een jonge vrouw en de staart van een vis. Meestal zijn zeemeerminnen of sirenen wezens die hun slachtoffers lokken met gezang, maar dit allerbekoorlijkste wezen kon helemaal niet zingen.
Ze moest het hebben van haar natuurlijke schoonheid en in de mist kon ze de schippers makkelijk verleiden met een dans van verhulling en onthulling. Omsluierd door de mist was ze immers nooit helemaal zichtbaar. Het verlangen om de schoonheid van de zeemeermin helemaal te aanschouwen leidde de schippers op de klippen. Zo vergingen vele schepen in hun hopeloze zoektocht naar de vluchtige bekoring van de zeemeermin.
Omdat niks de handel mocht tegenhouden waren er in het dorp onbevreesde jongemannen die een schip blindelings langs deze gevaren konden loodsen. Tegen betaling brachten zij dan de goederen van de gehaaste handelaren veilig over de klippen. Maar niet alle schippers waren gehaast, want het dorp had meer te bieden dan een veilige doortocht. Er was een zwarte markt waar de lading van vergane schepen verkocht werd. In het dorp was er ook een gans kwartier waar eenzame schippers troost konden vinden in dans, drank en welwillende vrouwen. Gans het dorp leefde eigenlijk in zonde, maar dit werd gedoogd door koning en kerk omdat de handel belangrijker was.
Op een dag besloot de paus het goddeloze dorp te kerstenen. Hij zond een congregatie broeders erop uit om de zondaars morele waarden en geloof in god bij te brengen. Om de dorpelingen de waarde van arbeid te tonen dempten de kloosterlingen een naburig moeras. Op de van het water gewonnen grond verbouwden ze de fijnste gewassen. In de zomer irrigeerden ze het land om hun gewassen te beschermen tegen de allesverschroeiende zon. In de winter bouwden ze dammen tegen de woede van het water.
Omdat de dorpelingen enkel de taal van de zinnen begrepen maakten de monnikken fijne kazen, zoete wijn en heerlijk gebak. De producten van hun arbeid verkochten ze in het dorp aan woekerprijzen. Omdat de dorpelingen zagen dat ze zelf die heerlijke dingen goedkoper konden maken begonnen ze zelf de vruchtbare grond te bewerken. De dieven werden boeren. De hoeren weefsters. De dronkaards bekeerden zich tot het geloof. Er werd een hoge kerktoren gebouwd van waaruit je boven de mist heen kon kijken. Elke dag werden de klokken geluid en steeds meer zondaars vonden hun weg naar kerk en gebed.
Zo ging het een tijdje beter met het dorp. De inwoners waren rijk en goed doorvoed want de kleine stad was nu meer dan een doorvoerhaven alleen. De stedelingen werden geloofd om de vruchten van hun arbeid en al snel verkochten ze hun heerlijke kazen en zoete wijn aan andere steden. Omdat het moeras gedempt was en de mist de bergen in gevlucht was, hadden vele handelaars geen loods meer nodig. Alle jongemannen richtten zich volledig op de arbeid van het veld.
Omdat de mist nu liever met de bergtoppen dan met het water speelde kon de zeemeermin de schippers niet meer bekoren met haar suggestieve dansen. Zonder haar sluier van mist was ze te tastbaar om de mannen nog te bekoren. Ze was nu immers ook van ver zichtbaar en kon de opvarenden niet meer verrassen.
De schippers konden nu ook makkelijk de rotsen in het ondiepe water zien en begonnen in hun hoogmoed zelfs op de meermin te jagen. Zo kwam het dat de meermin onder water moest vluchten en zich nog zelden liet zien. Uiteindelijk werd de meermin niet meer dan een verhaal waar niemand in het dorp werkelijk in geloofde.
Ook lieden van ver buiten het dorp hoorden het verhaal van de gevluchte zeemeermin. Al snel kwamen geleerden om haar te observeren en avonturiers om haar te vangen. Onder hen was een bedrieger van de laagste soort. Deze droomde van snel geldgewin en vluchtige roem.
Hij smokkelde een gedrocht dat bestond uit het bovenlijf van een apewijfje en de staart van een zeeleeuw de stad binnen. Aan iedereen die het horen wilde vertelde hij dat hij het lijkje, dat duidelijk een sirene was, gevonden had tussen de kliffen bij de rivier. Maar in werkelijkheid ging het natuurlijk om een vervalsing die hij met behulp van god weet welke duivel aan elkaar genaaid had.
Hij had wel goed werk geleverd, want van dag tot dag groeide de groep inwoners die dachten dat hij werkelijk de zeemeermin gevangen had. Uiteindelijk werd er een klein museum gebouwd waarin de dode zeemeermin een plaatsje kreeg. Want listige lieden dachten zo een nieuwe bron van inkomsten voor het dorp gevonden te hebben.
Toen de monnikken zagen hoeveel succes het museum had, lieten ze een aparte kapel bouwen in de kerk en namen het lijkje op als relikwie in hun erediensten. In die kapel lag de zeemeermin opgebaard in een doorzichtige kristallen kist, zodat iedereen het wonder kon aanschouwen.
Het verhaal van het sirenelijkje verspreidde zich langs het water naar alle andere steden van het koninkrijk. Al snel stond het dorp niet meer bekend om haar kazen en wijnen, maar om haar kerk van de heilige lorelei, de Santa Clupea. Het verhaal reisde mee met de bemanning van de schepen en zo kwam de ondergedoken zeemeermin te weten dat een andere sirene in de kerk aanbeden werd.
Vanaf dan bleef de sirene steeds in de buurt van het dorp, in de hoop een glimp op te vangen van de dode zeemeermin die er aanbeden werd. De gelovigen hadden de gewoonte om jaarlijks de sirene in haar kristallen kist een rondgang door het dorp te laten maken. Van heinde en ver kwamen gelovigen om deze processie te zien, want de zeemeermin werd genezende krachten toegekend. Toen de zeemeermin in het water het gedrocht dat op het land aanbeden werd zag, schoot ze in een bulderende lach. Ze zou die dorpelingen wel eens leren wat een echte zeemeermin is.
De zeemeermin koelde haar woede op de platte bodems van de schepen, want er was maar 1 echte zeemeermin en dat was zij zelf. Niemand zag haar ooit, maar ze maakte een angstaanjagend kabaal door woest tegen de romp van het schip te bonken. Van een woedende kakafonie groeide het tot een ritmisch gedreun dat deed denken aan de muziek die de donkere duivels uit het zuiden maakten. De meermin had haar betoverende kracht teruggevonden en meer schepen dan ooit werden verzwolgen door de deinende cadans van haar muziek.
De jongemannen van het dorp werden door handelaren van de akkers gelokt om hun kostbare schepen tussen de kliffen te loodsen. De nieuwe jonge helden stopten hun oren dicht met was om het duivelse kabaal niet te horen. Even leek deze list te werken, want er waren terug minder schepen die op de klippen liepen en de handelaren waren tevreden. Daarom deed de meermin iets dat ze nog nooit gedurfd had. Ze begon uit volle borst te zingen.
Ze zong over dood en vernieling, over wat ze zou doen met de verrader die haar veranderd had in een lelijk gedrocht. Ze vertelde dat zij de enige echte meermin was. Dat iedereen bedrogen was door die vreemdeling en door de kerk die het verraad onderdak geboden had. Haar gezangen reikten nu veel verder dan het water. Ze weergalmden in de bergen, daalden af naar het dal en bereikten uiteindelijk het dorp.
Gans de bevolking van het dorp werd betoverd door haar gezang en kwam in opstand tegen de kerk. In een bloedbad dat verschillende dagen duurde werden alle geestelijken en vreemdelingen uitgeroeid. De kerk werd afgebroken. Het valse lijkje verscheurd. De dammen werden opengebroken. De landbouwgrond vernietigd. Schepen werden zonder genade aangevallen en leeggeroofd.
Er heerste een periode van goddeloosheid en al het geboefte van het koninkrijk verzamelde zich in de streek rond het dorp. De mannen werden rovers, de vrouwen hoeren. Verraders beloofden handelaars een veilige doorgang maar lieten de schepen op de klippen varen. De koning dreigde een regiment soldaten naar het gebied te sturen om orde op zaken te stellen, maar zover zou het niet komen.
Er werd gemoord en geplunderd totdat de mist vanuit de bergen terug over het water kwam. De zonden van het dorp waren nu opnieuw aan het blote oog onttrokken. Onder het deken van de mist leidde de zeemeermin schepen op de klippen en deze werden als vanouds door de inwoners van het dorp geplunderd. Omdat de handel belangrijker was dan de misdaden van het dorp, kon de koning niks anders dan de kleine zonden van het dorp te vergeven. Vanaf dan werd er nooit meer op de zeemeermin gejaagd. Haar liederen waren het dorp te kostbaar.
<< Home | 0 Commentaren | geef commentaar