Warning: include(./includes/random_image_generator.php) [function.include]: failed to open stream: No such file or directory in /home/bmeganck/domains/inonsblootje.be/public_html/2005/10/honingsteen-sprookje.php on line 2

Warning: include() [function.include]: Failed opening './includes/random_image_generator.php' for inclusion (include_path='.:/usr/local/lib/php') in /home/bmeganck/domains/inonsblootje.be/public_html/2005/10/honingsteen-sprookje.php on line 2
inonsblootje
inonsblootje

Warning: include(./includes/random_images.php) [function.include]: failed to open stream: No such file or directory in /home/bmeganck/domains/inonsblootje.be/public_html/2005/10/honingsteen-sprookje.php on line 25

Warning: include() [function.include]: Failed opening './includes/random_images.php' for inclusion (include_path='.:/usr/local/lib/php') in /home/bmeganck/domains/inonsblootje.be/public_html/2005/10/honingsteen-sprookje.php on line 25
17.10.05
Honingsteen (sprookje)
gepubliceerd om 15:46 | bookmark - print - mail

Er was eens een ver, ver land met hoge bergen en lange, kronkelende rivieren. De mensen waren er niet rijk, en hadden vaak te lijden van roversbenden en plunderende legers. Ze droomden van vrede en rust, van grote stoere muren die alle rovers buiten konden houden. En van een leven in een grote stad, want het waren boeren en ze vonden het harde werk maar niks.

Op een dag was een boer zijn akker aan het omleggen, toen plots een bij op zijn ploeg kwam zitten. De boer had nog nooit zo'n bij gezien. Ze was veel groter dan andere bijen, en glanzend wit. Hij hield stil en tuurde aandachtig naar het dier. Het had zijn vleugels toegevouwen en hield het hoofd schuin, alsof het wachtte op de onverdeelde aandacht van de boer.

Maar de boer dierf geen woord meer spreken, en ademde heel zachtjes. De mensen in die tijd luisterden nog naar de natuur, en dit moest wel een heel bijzonder teken zijn. Steeds meer bijen, allemaal net zo groot en wit als de eerste, kwamen naar de plek gevlogen. Ze zoemden eerst wat rond, en landden tenslotte ze één na één op de ploeg. Aan de ploegstaart hing nu een dansende, levende tros, en het hout kreunde onder het gewicht. Nog steeds kwamen er bijen bij. De boer stamelde : "Alle knolrapen! Dit moet ik aan mijn vrienden laten zien !", en snelde met zijn korte beentjes naar het dorp in het dal.

Niet lang daarna trok een lange stoet de heuvel op, naar het veld van de boer. De burgemeester stapte voorop, zwierig in zijn nette pak, z'n hoge hoed vol pluimen. Naast hem de veldwachter, die een beetje beschaamd was wakkergeschrokken uit zijn middagslaapje. Achteraan de zwetende smid, de bebloemde bakker, de mollige vrouw die met mosselen leurde.

"Kijk!" riep de burgemeester na de laatste bocht. "Luister!", gebood de veldwachter. En allen keken en luisterden hoe een hagelwitte wolk van brommende bijen loom boven het veld danste. Van de voren die geploegd waren was niks meer te zien, en zelfs de knotwilgen aan de overzijde waren met moeite te onderscheiden. "Honderdduizend hangijzers ! ", pufte de smid. "Goeie grutten ! " fluisterde de bakker. "Alle oesters !" kraste de vrouw die met mosselen leurde.

Diezelfde avond was er hoog beraad in de gemeentezaal. Dit was een wonder, dat stond vast. Maar wat moest men ermee ? De bijen leken niet kwaadaardig, maar zou dat zo blijven ? En wat als er steeds meer kwamen, en de velden onbereikbaar zouden zijn ? Ieder dacht er het zijne over, en het leek alsof er nooit een besluit zou worden genomen. Tot uit het midden van de banken een klein schrander kereltje opstond. "De bijen zullen onze welstand zijn", voorspelde hij, "we moeten ze boven alles te vriend houden. Hun honing zal ons rijk en machtig maken, en niemand zal ons nog ooit durven aanvallen of bestelen, uit angst voor hun angels. Laat ons een huis voor de bijen bouwen. Een toren, zoals men er nog nooit een gezien heeft."

Dat waren wijze woorden. Na nog een beetje pruttelen moest ieder toch wel, mja, toegeven dat dat het beste plan was. Meteen aan de slag dan maar : met ieders bijdrage werd een eerste etage gebouwd van wat men de "Bijenburcht" zou gaan noemen. Het werd een ruw stenen bouwwerk, met grote zeshoekige gaten waarin de bijen hun nest konden bouwen. En hoe ! Nog voor de mortel van de toren droog was waren dichte zwermen ongeduldig in de weer met was en pollen. De honing glinsterde in de geurige raten. Anders dan de honing die de mensen kenden was deze dik als suikerstroop en wit als glazuur, maar ook duizendmaal lekkerder. Je moest 'm alleen niet te lang in de zon laten staan, want dan werd 'ie zo hard als steen.

In kleine houten tonnetjes werd hij verscheept naar de dorpen in de buurt, naar de steden dichtbij, en al gauw ook naar verre vreemde landen. Overal werd gretig geld betaald voor de lekkernij. Het kleine dorp, waar de mensen zo arm waren geweest, groeide uit tot een stad, groter en rijker dan ooit een stad was geweest. Ze lag in de schaduw van de bijentoren en vulde de hele vallei. Een stoere verdedigingsmuur liep eromheen, en hield alle rovers buiten. De mensen woonden in weelde en veiligheid. Gedaan was het harde labeur op het land : de stedelingen paradeerden van ochtend tot avond door de geplaveide straten van de stad, in hun meest bonte kledij. Ze kochten alles wat hun hart begeerde.

De Bijenburcht werd intussen hoger en breder gemaakt. Niemand dierf nog schatten hoeveel miljoenen bijen er woonden. Zelfs de Bijenmeester was de tel kwijt, en hield het op "onvertelbaar veel". De Burcht rees de hoogte in als een rots, honderd maal honderd voeten breed en zeven maal zeventig lengtes hoog. Dat trok de aandacht van enkele reuzenkinderen die vijf dalen verderop bomen omver aan het blazen waren - het liefste wat reuzenkinderen doen. Ze trokken op verkenning. Stevig plantten ze hun voeten op de heuvels, en nieuwsgierig bekeken ze de burcht van alle kanten. Ze pulkten met hun reuzevingers in de gaten en klopten met hun knokkels op het dak. Al bij al was het ding niet zo interessant als het eruit had gezien. Bijna wilden ze weer vertrekken om verder te gaan met hun spelletje bomenblazen.

Maar een kwade bij stak een van de reuzenkinderen. De steek maakte het reuzenkind woedend, en het stampte met haar voet de Burcht kapot. De metersdikke muren scheurden en brokkelden af, en uit de barsten vloeiden honderd maal honderd miljoen liters dikke witte honing. Als een trage, stroperige golf van wel twintig meter hoog rolde de brij over de heuvels, en door de vallei. Door de ramen van het fiere stadhuis, over de weidse pleinen, in de grote fontein. De ganse stad verdween, het dal werd helemaal opgevuld. Geen spoor bleef over van de villa van de burgemeester, van het kasteeltje van de stadswacht, van de walmende smidse en de graanschuur van de bakker. Enkel de ruïne van de Bijenburcht, hoog op de heuvel, stak uit boven de witte korst, die als steen zo hard werd in de zon.

Wat een ramp ! De trotse stad was totaal verwoest, en wat nog erger was : de bijen waren bang en wantrouwig geworden. Ze bleven ver uit de buurt van de mensen en als iemand naar hun nesten op zoek ging, vielen ze in grote zwermen aan. De heerlijke witte honing, die de stad zo'n grote rijkdom had gebracht, was nu voorgoed onbereikbaar.Men was nu nog armer dan men voor de komst van de bijen was geweest. Een bittere troost, dat niemand hen nu zou bestelen... geen dief zou iets gevonden hebben in het haveloze troepje verslagen mensen : geen lapje stof, geen halve schoen. "Honderdduizend gensters !" zuchtte de uitgebluste smid. "Alle zemelen !" stoof de bakker. "Kraak en schelvis ! " knarste de oestervrouw.

Wat gedaan ? Ieder dacht er het zijne over. De één zou naar zee trekken en gaan vissen. De ander zou z'n geluk zoeken als bakker in een dorp dichtbij. Iemand zou gaan smeden in een verre vreemde stad.

Een klein schrander kereltje had echter een beter plan. Er zou geen grote, trotse stad meer staan, geen stoere wallen met gevlagde torens. Er zouden geen goudstukken meer binnenstromen, en gedaan was het paraderen over de straten en pleinen. Maar in de honingsteen konden ze wél een nieuw bestaan beginnen. De honingsteen was makkelijk te bewerken : je kon er tunnels en gangetjes in uitgraven, zelfs kamers en huisjes. Tussen de rotsen van honingsteen lagen kleine lapjes goede grond. De stedelingen zouden terug boeren worden, en het leven zou in eenvoud verdergaan. Zo werden overal in de honingrotsen gangetjes en kamers gemaakt, en deurtjes die sloten met een grote ronde steen. Tussen de rotsen kwamen kleine veldjes, waar gerst en gras en granen groeiden.

Met de weken en maanden, met de maanden en seizoenen, seizoenen en jaren verdween de herinnering aan de trotse stad, aan de Bijenburcht, aan de honing en de stoere gevlagde torens. Geen rover of veldheer vond de plek nog de moeite waard, en uiteindelijk vergat men zelfs dat er nog mensen woonden.

Maar in het land van steen kneedde de bakker ongestoord de krenten in het deeg. En de rood aangelopen smid sloeg het ijzer dat het dreunde. De veldwachter knapte een uiltje, en de vrouw met de oesters krijste : "Zoute mosselen, zoete vis ! Zout als de zee, en zoet als honing is ! ".

gepubliceerd om 15:46 | bookmark - print - mail

COMMENTAAR

<< Home | 2 Commentaren | geef commentaar

JP vertelt om 18:17

Een héél bijzondere kijk op de evolutietheorie van Kappadocië, wat leuk past in de context van de door ons bezochte streek.
Plezant om lezen waarbij de herinnering aan de ballonvaart heel sterk naar boven komt.
Bravo, doe zo voort.  

Anonymous vertelt om 20:34

Tof en vlot geschreven sprookje! Had misschien iets breder uitgesponnen beschrijving van het typische landschap van Cappadocië mogen bevatten.
(maar misschien las ik het sprookje door de verkeerde bril, t.t.z. de bril van diegene die er geweest is en niet de 'neutrale' lezer)  

<< Home | 2 Commentaren | geef commentaar


Creative Commons License

AUTEURS

!?! WABLIEFT !?!

Er waren eens... twee kleine jongens, die nooit echt groot geworden zijn. Ze leefden in een land waar het koud was, en nat. De straten waren grijs, de huizen waren grijs, en grijs waren ook de kleren. Ten lange leste had het grijs zich ook genesteld in de hoofden van de mensen : hun gedachten waren gewikkeld in laag na laag van schuchterheid, bescheidenheid en ratio. Meer.


RECENT

ARCHIEVEN

    07.17.2005
    07.31.2005
    08.07.2005
    09.04.2005
    09.18.2005
    10.02.2005
    10.09.2005
    10.16.2005
    10.23.2005

RSS

COPYRIGHT

Creative Commons License