GEHEIMNISSEN DER OUDE RONDSTENEN ALTAREN DER AWARULEN-EILANDEN Uit Prof. Dr. A. Kielmann, "Geheimnisse des Paleo-Rundsteinaltare der Awarule-Inseln", Kölner Buchverlag, 1926.
Abstract :
De befaamde beelden der Awarulen-eilanden zijn onstaan uit phallische votief-stèles die tot doel hadden de akkers ritueel te bevruchten.
Deze stenen werden bewerkt met abstracte of figuratieve ogen en gezichten, maar waren oorspronkelijk enkel in het binnenland te vinden (land-cultus).Een droogteperiode liet de akkers echter verdorren en maakte het volk afhankelijk van den visvangst. Sindsdien worden de votiefstenen ook naar de zee gericht, en vaker nog tweezijdig uitgewerkt : met één hoofd naar de zee en één hoofd naar het land. Op den top van het beeld werd in een kuil een jonge boom geplant, symbool van nieuw leven. Mysthiek en geheimzinnigheid hebben immer de steenen, dubbelkoppige beelden van Palawai omgeeven. Weinig bekend is echter hunne lange en boeiende voorgeschiedenis. Deze tekst geeft een eerste kader voor den geinteresseerde onderzoeker.
Den Awarulen-eilandengroep.Den eilandengroep van de Awarulen, waartoe Palawai behoort, is met zekerheid bewoond sinds 12000 v.C. De inboorlingen zijn van Nolitarctische afkomst, en zijn vermoedelijk op zeewaardige vlotten of bootjes met de Zelda-stroom naar de Awarulen gevaren (Nohrman et al.,1919).
Zoals bij zoveele eiland-volkeren is ook bij de Palawai een belangrijke vruchtbaarheidscultus ontstaan. Op afgelegen eilanden, immers, kan een dalend geboortecijfer niet door immigratie gecompenseerd worden.
Uit dezen vruchtbaarheidscultus zijn de befaamde Palawai-beelden ontstaan, welker ontstaansgeschiedenis wij nu zullen schetsen :
11.000 tot 10.000 v.C. : het vroeg-palawai.Onbewerkte zwerfstenen worden rechtop in den grond gestoken, en krijgen geschilderde of gehouwen spirituele ogen ("notai"). De beelden zijn maximaal een meter hoog en staan aan cultusplaatsen of belangrijke wegen opgesteld.
Hun vorm moet als phallisch geinterpreteerd worden, de stenen zorgden voor een rituele bevruchting van de akkers.
10.000 to 8500 v.C. : het midden-palawai en de fecundi-mari 
In het midden-palawai worden de stenen steeds verder bewerkt. De phallische vorm wordt steeds duidelijker, met onderscheid tusschen schacht en glans.
Aanhoudende droogteperiodes zorgen voor verschraling van de akkers, waardoor de bevolking afhankelijk wordt van de rijke visgronden aan de havenstad Zonota, bij de Tiro-stam. Uit dank en om verdere goede vangsten af te smeken werden de zgn. "fecundi-mari" (zee-bevruchters) opgesteld : rondstenen met phallischen vorm, maar naar de zee gericht. Het besef, dat zowel de akkers als de zee nodig zijn om het volk te voeden, heeft in deze periode zijn oorsprong. Dit besef zal ertoe leiden dat de beelden steeds vaker tweezijdig uitgewerkt worden, naar land én zee toe.
8500 tot 8000 v.C. : het laat-palawai De stèles worden steeds groter, tot 4 ‡ 5 meter hoog.
Spiralige lijnen worden toegevoegd op de glans, de zgn. "vruchtbaarheids-lijnen". De werkelijke anatomie van den phallus wordt verder uitgewerkt, met een kuil op de top van het beeld.
8000 tot 2600 v.C. : onori De gestyleerde notai-ogen worden eerlang vervangen door abstracte vormen, die in het laat-onori (figuratief onori) ook ingewerkt worden als nissen tot 50 cm diep, waarin dikwijls sporen te vinden zijn van "pupillen" : rolrond gemaakte stenen, soms kleien of zelfs rieten bollen (Langohr, 1923).
Deze periode toont ook eerste duidelijke aanwijzingen van beplanting van de kuil in den top van het beeld : in verderzetting van het beeld van den levengevende phallus wordt in deze kuil (typisch ongeveer 1 kubieke meter) aarde aangebracht en ingeplant met een jonge boom (vaak Seralis sp., ook Notera en Glentzia).
2600 tot 520 v.C. : zonotisch (postfiguratief onori).Het eertijds abstracte gezicht van de beelden is nu volledig uitgewerkt, ook oren worden toegevoegd, en den hals wordt van de romp

onderscheiden. Alle beelden uit deze periode zijn tweezijdig, en hebben beplanting in de kuil. De kleine boompjes, die eertijds in de kuil gezet werden, zijn heden vaak tot enorme stronken uitgegroeid, die met hunne wortels vaak het merendeel van het beeld bedekken, wat een zeer lieflijk gezicht oplevert.
520 v.C. : het einde van de Palawai-beschaving.520 wordt gezien als het einde van de Palawai-beschaving, met de invallen van de Nolitarctische volkeren op Palawai zelf en het verval van de ( kleinere) culturele centra op Honota en de andere Awarulen door de daaropvolgende pest-epidemie.
Prof. Dr. A. Kielmann, Scharfurt 1926.
bibliographie :
Nohrman, Köppke & Langohr, 1919.
"Entstehungsgeschichte des alten mid-Nolitarktische Reich",
Prozessus Nat. Geophysik no. 31, Z. 45 bis Z. 53.
Langohr, 1923.
"Bemerkingen betreffende de palawai-votiefsteles van Onori".
Heelnederlandse tijdingen der Archeologie no.12, p. 18.
<< Home | 0 Commentaren | geef commentaar