Er was eens een vulkaan op een eiland in de zee. De vulkaan had een jeugd van vuur en luidruchtige uitbarstingen gekend maar was nu oud en stil geworden. Hij spuwde geen vruchtbare lava meer en was enkel nog gekroond met een amper zichtbare rookzuil. Z'n vurige haren was hij lang geleden al verloren. Z'n krachtig bijtende adem was een hees sissend gehijg geworden.
Rond die vuurberg lag een vredig koninkrijk en op de vruchtbare hellingen van de vulkaan bloeiden twee steden. In de ene stad woonden vissers die met kleine bootjes de koraalriffen rond het eiland bevisten. Iedereen bewonderde hen om hun timmermanskunsten want ze hadden het eiland de prachtigste houten huizen geschonken. Rond de andere stad bewerkten boeren de vruchtbare vulkaangrond. Ze verbouwden er dikke sappige maïskolven, het fijnste graan en de zoetste suikerbieten. Hun koks stonden op heel het eiland bekend om hun heerlijke gerechten. Omdat de vulkanische grond zo vruchtbaar was en de koraalriffen zo vol vis zaten was er voedsel in overvloed. Gedurende vele generaties ging het rijk over van koning op koningszoon en er was altijd vrede. Niemand anders wist immers van de pracht en de rijkdom van dit verloren eiland in het midden van de oceaan.
Op een goede dag erfde een nieuwe koningszoon het rijk van z'n vader. Als prins was hij een onbezonnen dromer geweest en ook als jonge koning wou hij een spannend leven leiden. Hij droomde van een leven vol heldendaden. Vechten met vuurspuwende reuzendraken. Nieuwe wonderbaarlijke landen verkennen.
Prinsessen redden uit de hoogste torens. Demonen verdrijven.
Grootse veldslagen winnen. Eigenlijk vond hij z'n nieuwe koningschap een beetje saai. Toen de verlokkingen van z'n paleis hem niet meer bekoren konden besloot hij op ontdekkingsreis te gaan.
Hij liet de vissers krachtige schepen bouwen om de zeeën te verkennen. Die liet hij bevoorraden door de boeren zodat niemand op de boottochten honger zou lijden. Z'n ontdekkingstochten waren een groot succes en het volk eerde hem om z'n moed en om de vreemde en nieuwe schatten die hij van z'n tochten terugbracht. Vanuit het land in het noorden bracht hij de warme vacht van sneeuwkonijntjes zo wit als kokosmelk. Vanuit de eilanden in het zuiden bracht hij een nieuwe plant waarvan je met de donkere bonen een magisch versterkende drank kon brouwen. Vanuit het oosten bracht hij smaken die nog niemand geproefd had. Al deze schatten hadden hun prijs, want onderweg leerde hij ziekte, vermoeidheid en zelfs de dood kennen. De tochten waren lang en gevaarlijk en niet alle bemanningsleden kwamen levend terug. Maar zolang hij op ontdekkingsreis kon vertrekken had de tijd geen greep op hem en leek hij niet ouder te worden. Daarom verkende hij steeds verder de zeeën rond het eiland. Hij zou de koning zijn die alle gevaren op het water bedwongen had. De koning die zijn volk rijkdom en macht geschonken had. De koning die van alle koningen het meest geroemd werd. Dit zou z'n levenswerk worden en hij zou er altijd mee doorgaan. Zolang hij reizen kon had hij immers de eeuwige jeugd.
Z'n reis naar het Westen was gevaarlijker dan alle andere. In open zee kwamen ze een grijs geschubd zeemonster tegen dat dwars onder hun vloot door zwom, zich keerde en het voorste schip natspoot met een krachtige straal zeewater die het van tussen z'n vlammende ogen schoot. Kort daarop werd de bemanning van dit schip geteisterd door een mysterieuze dodelijke ziekte. De chirurgijn kon niks doen voor de zieken en vanaf dan zeilde het schip afgezonderd van de vloot onder de zwarte vlag van de pest. Niemand mocht het schip verlaten en al snel liep het ziekenschip achter op de rest van de vloot want vele mannen waren gestorven en het werk verliep trager.
Zo kwam het dat het ziekenschip een dagreis achter lag op de rest van de vloot toen deze aanmeerde aan een nog onbekend eiland ergens ver in het Westen. Net zoals thuis was er op dit eiland een vulkaan, maar deze was wel actief. Lange gele vingers lava stroomden langs de hellingen en stortten zich in zee. De vulkaan rommelde en gromde telkens hij in wilde uitbarstingen grote rotsblokken in de lucht spuwde. Vanuit de top van de berg steeg een grijze rookkolom op en het eiland was overal bedekt met de witte as van z'n uitbarstingen. De koning en z'n bemanning bekeken dit alles met verwondering en angst.
Op het strand van dit mysterieuze eiland stond een lange rij van tweekoppige stenen kolossen. De beelden hadden geen lichaam, enkel twee hoofden en keken met een holle blik over het stille water. Ze leken de boten van de koning te bespieden en telkens de vulkaan gromde was het alsof de kolossen spraken. Dit waren geen gewone beelden, want elk beeld had twee paar ogen, twee paar oren, twee neuzen en twee monden. Alsof twee mannen rug tegen rug met elkaar versmolten waren. De ogen van het ene hoofd verkenden de oceaan en de mond van het andere hoofd waarschuwde de bewoners van het eiland voor komend gevaar.
Dat eiland was dus bewoond en de bewoners waren indringers vijandig gezind. De inboorlingen waren ook listig want ze zonden hun naakte vrouwen naar het strand om de boten te begroeten. De bemanning was hun angst onmiddelijk vergeten en wilde maar al te graag aan land gaan. Maar de koning liet dit niet toe. Hij beval iedereen aan boord te blijven en te wachten tot het ziekenschip aangekomen was. Zo bleef de bemanning dus een dag en een nacht wachten terwijl op het strand de naakte vrouwen hen probeerden te lokken met de mooiste dansen, de zoetste vruchten en de lekkerste wijn.
Toen het ziekenschip aangemeerd was beval de koning de zieken onmiddelijk aan land te gaan en het eiland te verkennen. Maar de mannen waren nog maar amper uit hun schip toen vanachter de beelden een leger gewapende eilandbewonders kwam die de zieke en verwarde bemanning tot op de laatste man uitmoordde. De koning besloot dat er geen rijkdom te vinden was op dit eiland, beval rechtsomkeer te maken en huiswaarts te zeilen. Z'n tocht was mislukt en het was alsof hij op slag tien jaar ouder geworden was.
Eenmaal terug thuis liet de koning de vissers wapens smeden en schilden maken. Voor het eerst in haar geschiedenis zag de vulkaan een leger van boeren en vissers oefenen langs haar flanken. Toen een jaar later het leger klaar was ging de koning terug naar het mysterieuze eiland, vastberaden om zijn vijand definitief te verslaan en het bloed van z'n volk te wreken.
Maar de bevolking van het onbekende eiland was verzwakt door de pest die samen met de zieke bemanning aan land gekomen was. Ditmaal was de overwinning makkelijk en definitief. De koning liet mannen, vrouwen en kinderen uitroeien en beval z'n soldaten één van de grote tweekoppige beelden uit te graven en mee te nemen naar huis.
Bij hun thuiskomst ontstond er meteen ruzie over waar het buitgemaakte beeld opgesteld zou worden. De vissers wensten het beeld in hun stad want het was met hun boten dat de ontdekkingsreizen begonnen waren. De boeren eisten dat het beeld bij hen opgesteld zou worden want hun graanvoorraden hadden de ontdekkingsreizigers en soldaten gevoed. Omdat de koning de vrede in z'n rijk wenste te bewaren beval hij het beeld in twee te klieven. Elke stad kreeg één kop en de koning droeg elke stad op hun eigen beeld te eren met bloedoffers.
De vissers begonnen met haring te offeren. De boeren een varken. Daarop de vissers een haai. De boeren nu een koe. De offers werden steeds groter en bloediger. Elke stad probeerde de andere te overtreffen in de gulheid van z'n offers en in de rijkdom van z'n tempels. Omdat beide steden elkaar steeds vijandiger gezind werden bleef de koning nu op het eiland om de vrede te bewaren en geschillen te beslechten.
Uiteindelijk kon de koning de ruziende steden niet meer uit elkaar houden. Het kwam tot een bloederige burgeroorlog om het vreemde beeld. Het bloed dat ooit enkel buiten z'n grenzen gevloeid had, werd nu vergoten in z'n eigen koninkrijk. De boeren vernietigden de vissersboten. De vissers staken ganse velden graan in brand. Boeren en vissers vielen elkaar zonder waarschuwing aan, enkel en alleen om het tweekoppige beeld te herenigen. Toen beide steden in de as gelegd waren en iedereen op de vlucht was, kleurde de hemel rood. Mannen van beide steden vergrepen zich aan de vluchtende vrouwen zonder onderscheid te maken in afkomst, leeftijd of familieband.
En alsof dit alles nog niet genoeg was, kwam ook de slapende vulkaan in opstand. Met woedende stoten spuwde hij roodgloeiende rotsblokken naar de vluchtende mensenmassa. De ene ving hij met z'n lange gele lavavingers. De andere verstikte hij met z'n giftige zwaveluitstoten. Nog een ander begroef hij onder een landverschuiving. De mensen hadden nu een gevaarlijker vijand aan de vulkaan dan aan elkaar.
De stokoude koning vervloekte nu het tweekoppige beeld dat hij op het eiland binnengehaald had. Hij vervloekte z'n jeugdige hoogmoed en naiviteit. In de hoop de woede van de vulkaan te keren beval hij aan z'n trouwste mannen de twee beelden te herenigen en te offeren aan de vulkaan.
Dit ging niet zonder slag of stoot, want zelfs nu nog verdedigden de vissers en de boeren de beelden met hun eigen bloed. De lijken stapelden zich op in beide steden, maar de koning bleef standvastig en uiteindelijk slaagde hij erin om beide beelden in de wijdopengesperde muil van de vulkaan te storten. Niemand zal weten of het toeval was, maar enkele dagen later was de woede van de vuurberg gestild.
Om de vissers en de boeren te verenigen en het volk aan het werk te zetten beval de koning een grote reeks beelden op het strand op te richten. Deze leken heel sterk op het beeld dat hij ooit zelf aan land gebracht had, maar hadden slechts één kop. Om bezoekers met open hart en zonder argwaan te ontvangen.
<< Home | 0 Commentaren | geef commentaar