Er was eens een stad in een koninkrijk aan een grote plas water. De huizen van die stad lagen in een vruchtbaar dal aan de rand van een baai in de plas. In die baai mondde een stroom uit langs een veeladerige rivierdelta. Deze rivier bracht water en rijkdom en geluk naar de stad. Want de stedelingen gebruikten het water om te drinken en hun akkers te bewerken. Over de bergen waar die rivier ontsprong lag een woestijn waar niemand uit het dal ooit geweest was.
Die woestijn kwam elk jaar opnieuw in een weldadig witte bloei om de schoonheid van de stilte achter de bergtoppen te vieren. De wind blies dan verhalen van de kortstondige pracht van deze lentebloei over de bergen. Deze geurige wolken werden voortgejaagd door de wind, klampten zich vast aan de bergflanken en bedekten de hoogste toppen met een eeuwig witte sneeuw. Diep in het dal keken de mensen van de stad vol bewondering naar de witte toppen. Ze vroegen zich af hoe die daar kwamen en waarom ze altijd zo mooi wit waren gebleven.
En alhoewel al het leven in de stad georganiseerd was rond het water van de rivier hoorde niemand de stil gefluisterde woorden van het kabbelende smeltwater. Want de verhalen van de pracht van de woestijn klonken in de wind en in de sneeuw en in het smeltwater en in het kabbelende beekje dat een rivier werd en uitmondde in de baai.
Op een eiland in het water van deze baai had de koning zijn paleis opgetrokken uit een kostbare witte steensoort die aan de voet van de bergen gedolven werd. Daar verzamelde hij alles wat mooi was in zijn koninkrijk. Hij liet witte duiven overkomen van ver over het water. Er waren beelden gemaakt door de meest fijnzinnige kunstenaars in zijn koninkrijk.
Hij had tuinen met de mooiste bloemen en boomgaarden met de zoetste vruchten. Hij had zelfs een schattig zangvogeltje dat hij cadeau gekregen had van een bevriende koning. Kortom hij had alles. Bijna alles, want de eeuwige sneeuw die de bergtoppen sierde ontbrak in zijn paleis.
In dat paleis woonde ook zijn enige dochter. Een volmaakte prinses met de blankste en teerste huid van alle vrouwen in het koninkrijk. De koning hield nog meer van zijn dochter dan van alle schatten in zijn paleis samen. Hij kon niet leven zonder elke dag haar blanke huid te bewonderen en dit was zijn enige zonde. Want het was een goede koning die oorlog schuwde en in alles schoonheid nastreefde. Het volk hield even veel van zijn koning als van de sublieme schoonheid van de prinses.
Maar de koning had een grote zorg die zich steeds dieper in zijn gerimpelde voorhoofd groef. Hij had een troonopvolger nodig en moest dus zijn dochter uithuwelijken. Hij kon de lieve glimlach van zijn prinses nog geen dag missen en bleef daarom het huwelijk uitstellen. Maar het volk werd ongeduldig en langzamerhand begon het bergaf te gaan met zijn koninkrijk. Want in een koninkrijk zonder vaste troonsopvolger kijkt iedereen smachtend naar de kroon. Niet alleen jonge edelmannen maar ook boeven en moordenaars die helemaal niks van de schoonheid van de wereld begrepen hebben.
Er waren dronken ruzies en soms zelfs gevechten om de hand van de sneeuwwitte prinses. Toen een jongeman stierf in een duel moest de koning wel een beslissing nemen. De prinses was bang, want ze wilde helemaal niet uitgehuwelijkt worden. Heimelijk droomde ze ervan om de eerste regerende koningin van het koninkrijk van haar vader te worden.
Op een dag gaf de koning een feest en nodigde allersterkste zonen van de meest vooraanstaande families in zijn koninkrijk uit. Hen beloofde hij macht en rijkdom en de hand van zijn dochter als ze hem sneeuw zo blank als de huid van de prinses zouden brengen. Dit was natuurlijk een list want hij wist dat dit niet zou lukken. Uiteindelijk zou hij net voor zijn dood het koninkrijk doorgeven aan de meest verdienstelijke bestormer van de bergen. En zo toch zijn dochter altijd voor zichzelf gehouden hebben. Tenminste, dat was zijn plan.
Vele jonge mannen trokken de bergen in, maar niemand bracht de witte toppen terug mee. Zij die naar boven gingen waren te verblind door de schoonheid van de eeuwige sneeuw om de verhalen te lezen die erin geschreven stonden. Velen stierven een eenzame witte dood en deze werden dan aanbeden als martelaren. Anderen keerden terug als helden.
Niemand slaagde erin ook maar één sneeuwvlok zo wit als de huid van de prinses naar het paleis terug te brengen. Daarom moesten er elk jaar opnieuw mannen naar boven gaan. Om te sterven of om terug te komen met verhalen van hun kracht, hun heldendaden en de schoonheid die ze in de bergen gevonden hadden. Maar niemand vertelde het verhaal van de pracht van de bloemen achter de bergen.
Aan het water woonde een man die vaak rond het paleis ging vissen. Daar zat weinig vis want de koning had grotere netten dan de arme visser. Maar dat vond de visser niet erg want zo had hij meer tijd om naar de vissen in het water en de vogels in de lucht te kijken. En ook wel een beetje naar de prinses, want zijn hart klopte sneller als hij haar in de tuinen van het paleis zag. Dan verborg hij zich achter zijn netten en deed heel druk alsof hij bezig was. 's Avonds dacht onze visser vaak aan zijn onbereikbare prinses die hij door de mazen van zijn net bespiedde.
Bijna nooit dacht hij eraan om de bergen te beklimmen en zo haar hart te veroveren. Hij dacht dat hijzelf en zijn droomprinses te verschillend waren om ooit samen te kunnen leven. Z'n handen waren te ruw om ooit haar tere huid te beroeren. Z'n netten te klein om haar ooit te vangen.
Hij was best wel tevreden met zijn bootje want daarin kon hij ongestoord luisteren naar wat het water hem vertelde. Zo hoorde hij op een avond het geheim van de woestijn achter de bergen. Nu droomde hij er heimelijk van met de prinses over de bergen te reizen en haar de bloemen in de woestijn te tonen.
Vanaf dan trok ook hij elk jaar op pad naar de bergen.
Niet om de toppen te beklimmen op zoek naar de eeuwige sneeuw zoals zo veel van zijn leeftijdsgenoten. Maar in de hoop een makkelijke doorgang langsheen de toppen te vinden en de pracht van de woestijn te aanschouwen.
Het eerste jaar ging hij in de zomer. Maar dat was een vergissing. In de schroeiende zon moest hij al snel zijn poging opgeven. Het volgende jaar vertrok hij in de herfst en vond een doorgang. Maar de woestijn was leeg en hij zag de schoonheid niet waarover het water hem verteld had.
Nog een jaar later ging hij in de winter. Het was te koud en bijna was hij niet teruggekomen. Want de toppen waren mooi en verleidelijk dichtbij en hij begreep nu waarom zo veel van zijn voorgangers gebleven waren. Na deze derde poging bleef hij enkele jaren aan het water, want hij begreep het gevaar van de verleiding van de eeuwige sneeuw.
Hij vertelde z'n verhaal aan het water, maar het water bleef hem de verhalen over de witte woestijn tot vervelens toe herhalen. Tenslotte besloot hij al zijn moed samen te rapen en nog een laatste poging te doen in de lente, voor hij te oud werd om bergen te bedwingen. Deze keer had hij geluk. Hij geraakte er niet alleen over, maar aanschouwde ook de veelkleurige pracht van de woestijn in bloei. Hij zocht de mooiste witte bloemen, en maakte er een gedroogde ruiker mee.
Terug in de stad ging hij meteen naar het paleis. De koning en zijn dochter zaten aan het water in de tuin. Toen hij op de prinses afstapte struikelde hij over een wortel van de grote treurwilg die hen schaduw bracht op zonnige dagen. De bloemen die hij met zoveel zorg over de bergen gebracht had vielen, braken in duizenden stukjes en verspreidden zich als een sneeuwtapijt aan de voeten van de prinses.
De visser barstte in tranen uit om het verlies van zoveel schoonheid en omdat hij nu nooit die bloemen zou kunnen delen met de prinses. De terugweg was immers lastig geweest en nu was hij te oud geworden om die tocht ooit nog opnieuw te doen.
Ook de koning was oud en zijn ogen diep weggezakt achter de rimpels van zijn zorgen. De koning had enkel het sneeuwtapijt gezien en niet de bloemen. Hij dacht dat het sneeuwtapijt echt was en zoals beloofd schonk hij zijn koninkrijk en zijn dochter aan de arme visser. Maar de hovelingen vermoedden dat het bloementapijt een list was. Zonder de prinses was de visser al gauw koning geworden van een koninkrijk zonder hof.
De visser wou helemaal geen koning zijn en liet het dagelijkse bestuur over aan zijn koningin. Het hof en het volk waren gelukkig want ze hadden nu eindelijk een leider die met hen bezig was en niet met de opsmuk van het paleis.
Zelf wandelde de visser graag door zijn koninklijke tuinen en ging vaak aan de waterkant zitten onder een wonderbaarlijke boom met grote witte bloemen. Daar vertelde hij elke avond aan iedereen die het horen wilde de verhalen die het water hem influisterde.
<< Home | 0 Commentaren | geef commentaar