Er was eens een schone prinses in een kasteel aan de voet van een berg. Daar woonde ze samen met haar vader en haar moeder. De oude grijze koning ging gebukt onder een groot verdriet, want in gans z'n koninkrijk was er geen jongeman te vinden die met z'n dochter trouwen wilde.
Z'n dochter was wel mooi, maar te verlegen om ooit iets met een man te beginnen. De arme prinses was zo stil dat haar mond ervan dichtgegroeid was. Ze at niet, ze sprak niet en geen man had haar ooit kunnen kussen. Dochterlief voedde zich met de geuren van smakelijke gerechten die de keukenknechten haar voorschotelden.
De droevige prinses leefde in eenzaamheid in de hoogste toren van het kasteel. Daar weefde ze wonderbaarlijke tapijten met de tranen van haar verdriet. De afbeeldingen op die tapijten vertelden verhalen van gelukkige prinsen en prinsessen, van alles wat haar hartje verlangde maar niet krijgen kon.
De hovelingen vonden de stille prinses wel een beetje vreemd, maar eigenlijk was ze best wel geliefd. Ze kon immers prachtig schilderen en tekenen en ze weefde de mooiste tapijten van heel het koninkrijk.
Jongemannen genoeg die de trappen naar de koningsdochter beklommen, gelokt door haar schoonheid. Maar allen daalden teleurgesteld af. Want de prinses leek meer oog te hebben voor de verhalen die ze met haar tapijten vertelde dan voor de zoete lust die de mannen naar haar torenkamertje dreef.
De koning doolde wanhopig door z'n kasteel, steeds dieper gebukt onder de last van z'n ouderdom. Hoe kon hij de troonsopvolging veilig stellen nu z'n einde naderde? Geen man moest de hand hebben van een liploze dochter die niemand kussen kon. Waar had hij dit aan verdiend? Waarom had hij niet gewoonweg een zoon kunnen hebben?
Met de jaren werden de tapijten steeds prikkelender. De prinses hoopte zo een jonge prins te verleiden die al haar tapijtedromen in vervulling zou brengen. Omdat geen jongeman met haar trouwen wilde dacht de prinses dat de verhalen van haar tapijten niet mooi genoeg waren.
Ze begon het geluid van stappen op de trap te vrezen, want die stappen brachten toch alleen maar ontgoocheling en verdriet. En uit dat verdriet spon ze dan nieuw garen om haar tapijtenverhalen te vertellen.
De verhalen die ze uitbeeldde werden met de dag triester, want ze begon de hoop ooit een goede prins te vinden nu te verliezen. Omdat ze met schoonheid geen jongeman had kunnen bekoren, begon ze nu heroïsche taferelen uit te beelden.
Eerst vertelden haar tapijten eenvoudige heldenverhalen. Draken die verslagen werden door stoere prinsen. Veldslagen gestreden door dappere koningen. Steekspelen gewonnen door sterke witte ridders.
Maar toen ook dit de prinsen niet leek te bekoren won haar angst het van haar zelfvertrouwen. Ze begon tapijten te weven met de verhalen van al haar diepste kwellingen. In haar tapijten zaaide ze dood, woede, verderf en oorlog. Ze kleurde die nu ook met haar eigen bloed.
Voorheen waren haar tapijten gewild geweest in het koninkrijk. Nu vonden de burgers haar bloederige weefsels gewoonweg lelijk. De koning kreeg de tapijten niet meer verkocht, en de tapijten stapelden zich op in alle vertrekken van het paleis. Dit begon de koningin danig op de zenuwen te werken. Daarom besloot de koning de tapijten te schenken aan z'n onderdanen.
Wie kon immers een geschenk van de koning weigeren? Weldra had elke familie in het koninkrijk een prinsessetapijt in huis. Maar vaak werden de koninklijke tapijten heimelijk verbrand. Want niemand wou zo'n verschrikkelijke verhalen in huis hebben.
De bevolking was arm, kende ellende genoeg en had geen zin om ook nog eens de angsten van de prinses in huis te halen. Steeds minder jongemannen beklommen haar torentrappen, want niemand moest nu nog iets hebben van die gekke prinses met haar lelijke tapijten.
Op een avond had de prinses een vuurrood monster geweven. Om het in te kleuren had ze te veel bloed gelaten. Ze stortte neer op de harde stenen vloer van haar torenkamer. Net voor ze in een diepe slaap viel, kon ze zien hoe het monster van haar tapijt tot leven kwam en uit het nieuwgeweven tapijt stapte.
Het was een groot insektachtig monster met het lijf van een wesp, bloedrood geaderde vleermuizenvleugels en messscherpe grijpscharen die een volwassen boom in twee klieven konden. Haar kop leek gerukt van een spin en uit de angel van haar wespelijf kon ze krachtige vuurballen stoten. Het monster van haar angsten nam de slapende prinses mee naar een vulkanisch gebergte ver weg van het paleis. Daar sloot het de koningsdochter op in een grot.
Een periode van terreur kwam over het koninkrijk. Elke nacht daalde het monster uit de bergen af om de dorpen in het dal te teisteren met haar allesverterende vuurstoten. Haar terreur was volkomen, want niemand wist hoe zich te verdedigen tegen zo een angstaanjagend gedrocht.
Vele gezinnen werden volledig uitgemoord voor iemand een bescherming tegen het monster gevonden had. Beeltenissen van haarzelf of haar soortgenoten boeiden het monster mateloos. Het liefst van al keek ze naar de tapijten van de prinses, want die beeldden alles wat het monster bewonderde het beste uit. Telkens ze zo een tapijt zag bleef ze er zodanig geboeid naar kijken dat ze het huis dat ze eerst uitbranden gewild had, links liet liggen.
Vanaf nu moest de bevolking elke dag met een beeltenis van haar eigen angsten leven om niet door het monster verslonden te worden. De koning beval alle wevers tapijten te maken die de grootsheid en de kracht van het monster bezongen. Deze liet hij verdelen onder de bevolking en zo ontsnapte het koninkrijk langzamerhand aan de terreur van het monster.
Omdat de koning beseft dat het monster slechts teruggedrongen en niet verslagen was, beloofde hij aan eenieder wie het doden kon de hand van zijn dochter, eeuwige roem en een karrevracht goud. Jonge ridders trokken de bergen in om de draak te bevechten, maar niemand kwam levend terug. Zelfs de dapperste mannen konden de prinses niet bevrijden uit de klauwen van het monster.
Hoog in de bergen zat de prinses opgesloten in een vochtige grot waar ze steeds zieker werd omdat ze zich niet met smakelijke geuren voeden kon. In de grot stonk het enkel naar zwavel en vuur, en die geuren verzwakten de slapende prinses.
Op een goede dag was er een ridder die naar boven ging vermomd als tapijtenverkoper. Twee ossen trokken een kar volgeladen met tapijten waarop de meest onwaarschijnlijke monsters afgebeeld waren. Tweekoppige slangen die het water onveilig maakten en menig schip hadden doen vergaan. Een vreemd wezen met de kop van een haan en de staart van een slang dat z'n slachtoffers vergiftigde met z'n hete adem. Bij nog een ander monster was het lijf van een man op het lichaam van een paard geplaatst. Met 1 hoefslag kon het een gans leger vernietigen. Er waren driekoppige hellehonden met allesverslindende tanden en draken in alle kleuren en maten.
Toen het monster deze karrevracht tapijten zag vergat ze terstond de ridder en verdiepte zich urenlang in het vreemde bestiarium dat op de tapijten uitgebeeld was. De ridder kon de ingang naar de grot openbreken en zag het slapend hoopje ellende dat ooit een mooie prinses geweest was. Hij begreep meteen dat ze dringend echt voedsel nodig had, en niet langer van geuren alleen leven kon.
Daarom ging hij de bossen in om te jagen. Op de akkers ging hij aardappelen stelen. In het gedoornde struikgewas ging hij bessen plukken. Uit een koude bergrivier schepte hij water. Hij deed dit allemaal zo snel hij kon, want van zodra het monster door de tapijten niet meer betoverd was, zou het met dubbele kracht aanvallen.
Hij bracht al het verzamelde voedsel naar de grot en doorboorde daar met z'n zwaard de dichtgegroeide mond van de prinses.
De prinses werd meteen wakker.
Buiten hoorden ze een hels kabaal. Ze zagen niet dat het monster vloekend en grommend door 1 van de tapijten opgeslorpt werd. Het gedrocht was nu zelf de uitbeelding van z'n eigen verhaal geworden.
Toen de prins naar buiten ging om te zien waar dat kabaal vandaan kwam vond hij het monster gevangen in de weefdraden van een tapijt.
De koningsdochter kon nu niet alleen terug eten, maar ook praten. Omdat de prinses nog zwak was, bleef de prins over haar waken. De tijd leek voorbij te vliegen toen ze daar zaten en praatten over alles wat mooi en lelijk was in de wereld.
Vanaf die dag stond het koninkrijk bekend om z'n wonderbaarlijk rijk gekleurde tapijten, want het hart van de nieuwe koningin was vervuld van trots en zelfvertrouwen. Ze liet grote weverijen oprichten en het volk werd rijk door de schoonheid van haar tapijten.
<< Home | 0 Commentaren | geef commentaar